•  

    January 2018
    M T W T F S S
    « Feb    
    1234567
    891011121314
    15161718192021
    22232425262728
    293031  

perversies

Inleiding
Het is al weer een tijd terug dat de perversie-club ophield te bestaan. We voelden ons verraden en het vertrouwen waarmee we over onszelf hadden verteld, ach zo schokkend was het nou ook weer niet, was zodanig geschonden dat we nooit meer in die samenstelling bij elkaar gekomen zijn.
Stoller was in paperback herdrukt, ‘Venus in bont’ was weer verkrijgbaar, in een fraaie, van goed commentaar voorziene uitgave, het boek ‘Vrouwelijke perversies’ stond op de bestsellerslijst en we verwachtten een vertaling van Binet’s ‘Le Fetichisme dans l’amour (1888). Toch bleven perversies taboe. En ze worden nog steeds verzwegen, de grap is juist dat je ze moet zoeken.

Freud wees op het theoretisch belang van de bestudering van perversies, met name van het fetisjisme dat de kern van alle perversies zou bevatten. Freud ontdekte dat wat in de neurose verdrongen wordt, in de perversie juist wordt uitgeleefd. Vandaar dat hij de neurose het negatief van de perversie noemde. Perversies zijn daarom wel verheerlijkt, vooral door de neurotici die de intense lustbeleving moesten ontberen.
Freud gaf ook een ander theoretisch belang aan, namelijk dat er met de perversie een mogelijkheid wordt geschapen om de werkelijkheid te vervalsen zonder psychotisch te worden, door de zogenaamde verticale splijting van het ‘Ich’. De latere analytici zijn hierop doorgegaan en hebben de pre-genitale herkomst benadrukt.

Na de grote veranderingen in de seksuele moraal was er een behoefte ontstaan aan duidelijke afgrenzing. We spraken niet meer van perversie maar van parafilie, of liever nog van afwijkend seksueel gedrag en de criteria zijn gedefinieerd door de DSM. Om dat soort afgrenzing gaat het natuurlijk niet. We zien relatief weinig patiënten waarvan we weten dat zij aan de ‘urges’ hebben toegegeven of die ons consulteren vanwege een ‘marked distress’ op dit gebied.
Maar hoe de seksuele moraal ook veranderd moge zijn, hoeveel toegeeflijkheid er ook wordt voorgewend ten aanzien van wat mensen met elkaar buiten de openbaarheid uitspoken, hoe er ook gesproken wordt over vloeiende overgangen in de trant van ‘we zijn allemaal een beetje pervers’ (een geenszins nieuwe gedachte), het blijft een zeer gevoelig onderwerp.
 Zelfs bij de indicatiestelling voor psychotherapie wordt er weinig geïnformeerd naar seksuele gedragingen. We weten soms dat er doktertje gespeeld werd, dat patiënten wel of niet zijn voorgelicht door hun ouders of door de straat, dat zij min of meer seksuele ervaringen hebben en dat die min of meer prettig verliepen. Wat niet weet wat niet deert, lijkt de redenering der therapeuten.
Perversies zijn moeilijk te vinden maar de boodschap is dat iedere persoonlijkheidsstoornis zoveel perverse elementen bevat dat we zonder kennis er van weinig kunnen beginnen. Het gaat om achterliggende perverse strategieën waar gewoonlijk niet zoveel aandacht is. En daar gaan we wat aan doen.

De details

Laten we beginnen met Alfred Binet (1857-1911). De grote beeldenstorm die woedde in het tijdperk van de religieuze hervorming, die niet alleen discussie en geschriften heeft voortgebracht maar oorlogen en slachtingen, bewijst, zo stelt hij, voldoende de algemeenheid en kracht van onze neiging om het heilige te verwarren met het materiële en tastbare dat het vertegenwoordigt. Het fetisjisme heeft in de liefde geen geringere positie. Zo, misschien moet je die zin nog eens lezen.
Om deze positie die het fetisjisme in ieders seksleven inneemt te onderscheiden van wat wij thans onder fetisjisme verstaan spreekt Binet van respectievelijk klein en groot fetisjisme. Binet ontwierp de associatie-theorie waarin de mogelijkheid tot seksuele bevrediging associatief gekoppeld is aan een herinnering uit de kindertijd waarin de latere fetisj een toevallige rol speelde. Hij verwijst hierbij naar Rousseau en is opvallend hoe hij diens beschrijving van associaties interpreteert en vooruitloopt op de latere theorieën over het operante conditioneren.

Pervers gedrag was in de negentiende eeuw onwettig en tartend voor de sociale orde. Tegen het einde van de eeuw waren perversies het studieobject van vele psychiaters. Wat zij vooral deden was categoriseren. Het werk van Von Krafft-Ebing en later Albert Moll en Magnus Hirschfeld moet genoemd worden al was het maar om de enorme collectie patiënten die beschreven zijn, fraai en leuk om te lezen. Er werd, evenals in de DSM strikt naar gedrag gecategoriseerd. Een paar voorbeelden. Sadisme, de verbinding van actieve gruwel- en geweldpleging met wellust, genoemd naar markies de Sade, omvatte lustmoord, lijkschennis, vrouwenmishandeling met steekwapens of met de zweep, alsmede de bezoedeling van vrouwen. Al deze handelingen, indien zij aan knapen of aan dieren werden toegebracht, werden weer in een andere categorie ondergebracht. Fetisjisme, waarbij de aantrekking uitgaat van een deel van het vrouwelijk lichaam, bijvoorbeeld de hand, moest niet verward worden met voetfetisjisme, fetisjisme voor ontbrekende lichaamsdelen, bont- of zakdoekje-fetisjisme of met de vlechtenknipperij die zich toentertijd in een bijzonder belangstelling van psychiaters mocht verheugen. Thans worden bij parafilieën slechts exhibitionisme, fetisjisme, pedofilie, seksueel masochisme, seksueel sadisme, fetisjistisch transvestitisme, voyeurisme en parafilie NAO genoemd in de DSM.
 Frotteurisme (tegen iemand aanwrijven die daar niet mee instemt, in een volle tram bijvoorbeeld) is niet langer een aparte perversie, was dat tien jaar geleden nog wel.

Freud ontdekte de ontwikkeling van de seksualiteit. Namelijk vanaf de geboorte. Freud zag perversies als fixatie aan, dan wel regressie naar fasen en zones van de pre-genitale seksuele ontwikkeling als gevolg van de wijze waarop het Oedipus-complex doorlopen was, in casu de mate van castratieangst.
Aangezien de kinderlijke seksualiteit polymorf-pervers is zijn de latere perversies veelvormig. De belangrijkste remmen die op een perverse ontwikkeling staan zijn walging, schaamte en fatsoen. Hij voegt daar aan toe dat de liefde deze overwint, reden om mijn lievelingsgevoelens geworden te zijn, die ik, wanneer ik in een therapie kans zie, aanmoedig te ervaren om te ontdekken wie je werkelijk bent. Wanneer je je schaamt is daar geen twijfel meer over.
In zijn latere werk komt Freud op de perversies terug en noemt hij vooral het fetisjisme, als prototype voor iedere perversie. Hij redeneert als volgt: de aanblik van het vrouwelijk genitaal beangstigt het jongetje dermate dat hij de afwezigheid van de fallus loochent. De fetisj is een toevallige vondst waarmee over de castratie-dreiging getriomfeerd wordt. Het prettige is dat de betekenis door anderen niet gemakkelijk wordt doorzien en dat de fetisj (en daarmee seksuele bevrediging) makkelijk bereikbaar is. Hoe meer de fetisj zowel de castratie van de vrouw loochent als bevestigt, hoe solider de constructie tegen beïnvloeding van buitenaf. De fetisjist weet dat de vrouw geen fallus heeft maar een deel van hem houdt vast aan de constructie dat ze er wel een heeft. Dit samengaan van twee werkelijkheden noemt Freud de splitsing van het ‘Ich’.

Later heeft bijv. Stoller de fantasie van de fallische vrouw uitgeroepen tot de basisfantasie van iedere perversie. Stoller stelt dat de perversie een gedramatiseerde ontkenning is van de castratie, waarbij regressie optreedt naar de periode van onzekerheid over de fallische moeder. De separatie wordt in de perversie kortdurend ongedaan gemaakt en agressieve impulsen worden geneutraliseerd.

De constitutionele factoren, die door de eerste onderzoekers zoals Binet maar ook Freud aanwezig werden verondersteld, moesten verklaren waarom de een wel en de ander niet pervers wordt na de onthutsende aanblik van het vrouwelijke genitaal. Door allerhande afweerstrategieën konden alle mogelijke perversies wel worden verklaard.
Hoewel er al lang een roep werd gehoord dat Freuds theorie van de kinderlijke seksualiteit niet voldeed, te fysicalistisch was, te weinig aandacht schonk aan Heel de Mens en zijn Dasein, in zichzelf eigenlijk een heel fetisjistische theorie was, kwam er pas in de jaren zeventig meer differentiatie in de psychoanalytische theorieën over perversies. De nadruk kwam geleidelijk meer te liggen op stoornissen in de individuatie-separatiefase, de ontwikkeling van de objectrelaties en, ook nog wel een beetje, op constitutionele zwakheid van het Ich.

Phyllis Greenacre sprak Bak tegen dat het jongetje te weinig gelegenheid zou hebben gehad om het vrouwelijk genitaal te bestuderen en aldus vast kan houden aan de infantiele theorie van de fallische moeder. De ervaring leert namelijk dat er nogal wat naakt gelopen wordt zolang de kinderen heel klein zijn en ook worden broertjes en zusjes samen in bad gedaan en dit beschermt geenszins tegen latere perversies. Zij stelt dat een werkelijk trauma in de eerste twee levensjaren een rol moet spelen. Waarom heeft de fetisjist de zichtbare, ruikbare en voelbare fetisj nodig en heeft hij aan de voorstelling van de fallische vrouw niet genoeg? De ontkenning van het werkelijke trauma kan alleen worden volgehouden wanneer er een werkelijk ding tegenover staat. Op zich niet de krachtigste redenering maar de aandacht voor psychotrauma, die in de psychiatrie al vanaf de tweede wereldoorlog bestond, deed zijn herintrede in het psychoanalytisch denken.

In Engeland droeg Masud Khan in belangrijke mate bij met zijn boek ‘Alienation in Perversions’ (1979). Enerzijds beschrijft hij de narcistische problematiek in relatie tot perversies, anderzijds vestigt hij de aandacht op de vroege moeder-kind relatie.

Wat het narcisme betreft kunnen we nu weer beter te rade gaan bij Fritz Morgenthaler. Hij beschrijft als de beste: ieder mens draagt een beeld van zichzelf met zich mee en dit beeld moet mooi en rond zijn zodat het zelfgevoel zo sterk en veerkrachtig is dat men de realiteit van het leven en de maatschappij waarin men leeft verdragen kan. Het beeld dat we van onszelf hebben opgebouwd, is het resultaat van een lange ontwikkeling die al vroeg in beslissende en hoog-specifieke banen geleid werd. Bij de fetisjist is de gele schoen (of iets dergelijks) een deel van zijn zelfbeeld. Aan het begin van het leven zijn moeder en kind een eenheid maar dat kan niet zo blijven. Er komt onvermijdelijk een verstoring en dan is de wereld niet meer volmaakt. Er ontbreekt iets, iets gapends dat angstig maakt en dat aanleiding is om dat ontbrekende te zoeken, het storende op te heffen. Daartoe dienen almachtsfantasieën en grootheidswaan. Onder druk van de realiteit worden deze fantasieën omgevormd tot een streven dat in dienst komt van onze idealen. Op deze manier proberen we het mooie ronde beeld van onszelf te creëren. Het ontstaat eigenlijk nooit. Alle mensen leiden in dit streven op een bepaald moment schipbreuk. Wanneer het tot een bewuste doelstelling wordt ontstaat ofwel de diepste schaamte of ongedifferentieerde arrogantie. Beide op den duur onverdraaglijk.

De polymorf-perverse aanleg is op een of andere manier in ons zelfbeeld opgenomen en speelt in onze maatschappij, met zijn hooggeschatte heteroseksuele ontwikkeling net zo’n belangrijke rol als bij andere seksuele differentiatie.
Omdat de kinderlijke seksualiteit polymorf-pervers is zou je ook kunnen zeggen dat het kind een directer, naïeve toegang tot het perverse heeft. Worden ze volwassener, dan wordt deze toegang steeds minder zichtbaar. Het is net zo als bij bijzonder begaafdheden. Sommige kinderen kunnen tekenen als schuilt er een Picasso in ze, met de puberteit verbleekt de begaafdheid. Zo zijn er mensen die vroeg in hun leven een perverse fascinatie ontdekken. Onder sommige (bedreigende) omstandigheden wordt deze fascinatie als een kleurrijke steen in het mozaïek van de persoonlijkheid ingebouwd. Hij past naadloos in het gapende gat dat in het zelfbeeld is ontstaan. Vervolgens verstart het onder druk van de door de maatschappij gewenste aanpassing en wordt het tot perversie. Juist de druk die achter de maatschappelijke rolopvattingen heerst, werkt de ritualisering in de hand.

Masud Khan beschrijft de analytische behandeling van een voorhuid-fetisjist. De beschadiging, het gapende gat, in de persoonlijkheid wordt geleidelijk zichtbaar. Het genot dat de patiënt ervaart wanneer hij zijn lustobjecten tot orgasme brengt wordt geleidelijk ontmaskerd als een sadistische triomf over de beschadiging die hij in zijn pogingen tot losmaking van zijn moeder, door haar heeft opgelopen. Wat er na de analyse van de patiënt overblijft is een grijze man met een groot gat in de persoonlijkheid, een nogal beklemmend slot van het verhaal. De vraag die zovele kunstenaars zich stellen: wat blijft er van me over zonder m’n neuroses (en perversies) lijkt niet ongerechtvaardigd. Is deze patiënt niet te goed behandeld? Wat is de morele keuze geweest om een dergelijke behandeling door te voeren? Wanneer na de analyse er op de plaats van het ‘Es’ steeds meer ingenomen wordt door het bewuste en sturende ‘Ich’ dan is de patiënt vooruitgegaan maar het Ich heeft een gat en de sjeu is uit het leven verdwenen. We moeten maar hopen dat er maar weinig analyses zo grondig worden doorgevoerd en dat er na afloop nog een hoop te ageren en te leren valt.

Masud Kahn legt overigens niet zozeer de nadruk op een vroeg psychotrauma maar op de houding van de moeder: zij idoliseert het kind. Moeder heeft het kind nodig zoals een tiener haar popster, namelijk altijd op dezelfde manier en zonder ruimte voor een eigen leven. Het gat dat geslagen zou worden door de eerste grote narcistische opdonder dat moeder hem niet nodig heeft zoals hij moeder nodig heeft, wordt gevuld door een permanent pogen om aan het geïdoliseerde beeld te voldoen. De perversie is de herhaling van de idolisering door moeder. Er ontstaat in de perverse handeling dus een kortdurende reparatie van het zelfbeeld met het geïdoliseerde zelf. De misvatting dat perverse mensen normaal zijn op hun perversie na is hiermee uit de wereld. Er is weinig om jaloers op te zijn. De intense lustbeleving is kort en zeer betrekkelijk wanneer men zich de inperkingen daarbuiten realiseert.
Masud Kahn beschrijft de zes kenmerken van perversie:

  • beide partijen hebben een stilzwijgende overeenkomst over ritueel en accepteren de spelkwaliteit van de ontmoeting
  • de ontmoeting is in zijn ware aard privé, geheim en iets heel speciaals
  • het betreft een reparatieve geste die wederzijds is. Dit maakt het goedaardig. De vijandigheid en sadistische exploitatie van de ander wordt tot een minimum beperkt
  • beiden voelen zich door de onderneming meer compleet
  • ondanks verklaringen van eeuwige trouw en toewijding is er een besef dat separatie en verlies onvermijdelijk zijn
  • er is een wederzijds gevoelde dankbaarheid voor het hebben toegestaan van de geheime en ondeelbare ervaring

Robert Stoller noemt perversie de erotische vorm van haat. Zijn beschrijvingen gaan telkens over van haat en wraak vervulde mensen die de in de vroege jeugd ervaren bedreiging van hun geslachtsidentiteit door middel van een ritueel in een triomf doen verkeren. De ingrediënten vijandigheid, mysterie, risico en wraak verhogen de opwinding vandaar dat aan seksualiteit altijd een moreel oordeel wordt meegegeven. Ook bij Stoller staat het fetisjisme door splitsing, ontmenselijking en idealisering model voor alle perversies. Uit zijn woordkeus blijkt een zodanige afkeuring dat hij dat het hem in het hoofdstuk over de noodzaak van perversies niet lukt dat te relativeren. Pornografie en van haat vervulde geperverteerden zijn volgens hem het bijproduct van een maatschappij waarin de opvoeding destructieve tendensen oproept en die moeten op een of andere manier gereguleerd worden. Misschien heeft hij wel gelijk. De maatschappij die het cultuurgoed commercialiseert, houdt zich door zich van morele waarden te bedienen in stand. Of het nu gaat om perversies of om drugsgebruik. Wanneer we de grenzen van walging, schaamte en fatsoen overschrijden dan lopen we de kans te worden opgepakt. William Burroughs wees ons er al op dat de machthebbers hier niet alleen aan verdienen maar op deze wijze ook controle houden over het revolutionair potentieel.

Wat er tot nog toe ontbrak is het onderscheid tussen mannen en vrouwen. Het ging eigenlijk alleen maar over mannen. De seksuologen die hun blik onwankelbaar gericht hielden op de zichtbare symptomen van perversie en ze, voorzien van een of ander etiket, in een diagnostische categorie onderbrachten, bleven het antwoord schuldig op de vraag waarom er minder dan 1% van de seksuele perversies kan worden toegeschreven aan vrouwen (voor het seksueel masochisme wordt 5% genoemd).

Louise Kaplan somt in ‘Vrouwelijk Perversies’ (1991) een aantal verklaringen die gegeven zijn op. Vrouwen zouden op de een of andere manier de mannen aansporen; vrouwen zijn moreel superieur aan mannen; er zijn evenveel vrouwen als mannen die pervers zijn. Maar ook: vrouwen doen tegen hun wil aan de perversies van de mannen mee. Kortom de dokters hebben niet goed gekeken. Er wordt ook wel beweerd dat vrouwen ruimschoots de gelegenheid krijgen om hun afwijkende seksuele verlangens af te reageren op hun kinderen en dat de hormonen de verschillen in fijngevoeligheid voor intermenselijke relaties bepaalt en dat het verschil dus door het biologische noodlot komt. Mannen moeten erecties hebben om seksueel iets te presteren, zij kunnen hun genitale angsten niet verbergen terwijl vrouwen heel bedreven zijn in het voorwenden van opwinding en orgasmes. Vrouwen hoeven geen fetisjen te hulp te roepen om zich te bewijzen. Indien de maatschappij een grotere seksuele vrijheid zou bieden zouden vrouwen net zo pervers zijn als mannen. Vrouwen hoeven geen prostituees te bezoeken om geslagen en overheerst te worden: mannen doen het met plezier thuis en voor niets.

Je merkt het al. Er wordt bij de statistieken aan iets essentieels voorbij gegaan en zo komen we er niet uit. Louise Kaplan verlaat dan ook de definitie van perversie als afwijkend seksueel gedrag en legt de nadruk op de mentale strategie waarbij stereotiep gedrag van mannelijkheid of vrouwelijkheid op zo’n manier wordt gebruikt dat de toeschouwer om de tuin wordt geleid. Wat de perversie onderscheidt is de mate van wanhoop en fixatie, er is geen andere keuze: ondergang in angsten, depressie en psychose dreigt. Vrouwen hanteren andere listen om hun demonen gunstig te stemmen. Wanneer onze aandacht beperkt blijft tot de zichtbare en duidelijke doelen dan is dat een weerspiegeling van de perverse strategie, we trappen er dan dus heerlijk in. In de stereotype opvattingen over normale vrouwelijkheid zullen we de vrouwelijke perversie ontdekken.
De infantiele fantasieën over het fallisch dan wel gecastreerd zijn worden overgeplant op de maatschappelijke normen van mannelijkheid en vrouwelijkheid. De opvoering er van zijn de groteske geslachtskarikaturen die bij mannen het etiket perversie hebben gekregen. De perverse vrouwen vermommen zich als normale vrouwelijke types: de gehoorzame vrouw, de koesterende moeder, de passieve maîtresse die zichzelf gewonnen geeft, de verwachtingsvolle ontvangster van de fallische goederen, zodat niemand ooit zal vermoeden hoe graag ze wil bezitten, werktuig zijn, domineren, penetreren, overnemen, eisen, slagen en winnen. Achter het masker van vrouwelijkheid verbergt bijna elke vrouwelijke perversie een wraakzuchtig sadisme dat doet denken aan het ‘wraaktype’ van Karl Abraham.

De typische transvestiet draagt kanten kousen en jarretels onder zijn macho uniform of driedelig pak. Wanneer hij manlijke kledingstukken draagt om seksueel beter te presteren (lees: lust te ervaren) zouden we hem een homeovestiet kunnen noemen. Een vrouw die zich kleedt als een man, kan haar mannelijkheid laten zien om haar vrouwelijke strevingen te verbergen. Wanneer zij zich stereotiep vrouwelijk kleedt kan zij een vrouwelijke homeovestiet zijn die haar manlijke strevingen tracht te verbergen. Aan de hand van beschrijvingen van kleptomanie, automutilatie en de eetstoornissen anorexia en boulimia nervosa onthult Louise Kaplan vervolgens het perverse scenario. Het anorexia meisje presenteert zichzelf aan de wereld als een seksloos kind in een karikatuur van heilige vrouwelijkheid. Achter deze karikatuur van een gehoorzaam, deugdzaam, rein en onderdanig meisje gaat een zeer uitdagende, ambitieuze, dominante, beheerste en viriele karikatuur van manlijkheid schuil. Mogelijk draagt dit bij aan de moeite doe veel psychiaters met dit ziektebeeld hebben. Het gaat niet om een onschuldig kind dat strijdt met de infantiele conflicten, het is de anorectische perverse strategie van een volwassen vrouw die strijdt om tot een vergelijk te komen met de seksualiteit en de vrouwelijke geslachtsidentiteit.
Zij triomfeert over alle pogingen haar te dwingen tot eten, pogingen die zij opvat als krenkingen van haar lichaam. De harige, manlijke, fallische aanblik van zichzelf in de spiegel vindt zij helemaal niet erg omdat zij deze kenmerken dreigde te verliezen op weg naar het volmaaktste, deugdzaamste, allerliefste meisje te zijn. Een patiënte wordt geciteerd: “terwijl ik voor de spiegel stond zag ik een lieflijke en aantrekkelijke vrouw. Mijn andere zelf, het lichaam buiten de spiegel, was een hunkerende jongen die zich opmaakte het meisje in de spiegel te verleiden. Ik had een liefdesrelatie met mezelf.”

De houding van de ouders draagt er toe bij dat de anorexia patiënte de infantiele fantasie dat er geen geslachtsverschil zou zijn kan blijven koesteren. Vader schijnt zich heel wat meer te bekommeren om zijn werk en maatschappelijke positie van om seks. Ambitieus in zijn beroep maar verbazingwekkend passief en emotioneel onbereikbaar thuis. in de klassieke gezinsstructuur doen allen hun best om zowel het geslachtsverschil als het generatieverschil  te verdonkeremanen.
Door haar optreden als hongerende artieste verwerft zij onmetelijke macht. Het publiek is van afschuw vervuld maar gefascineerd. Dit versterkt al het gevoel van omnipotentie. Zij is waakzaam, vluchtig, slaapt slechts een paar uurtjes. Ze is duizelig, ze valt flauw van verrukking in een roes, heilig, nu ze bijna verhongert en onophoudelijk in beweging is.

Iki Halberstadt-Freud publiceerde in 1991 ‘Freud, Proust, perversion and love’. Zij interpreteert de perversie als de instandhouding van wat zij noemt de symbiotische illusie: moeder wil alleen mij. De magische perverse daad houdt deze illusie levend of herstelt die en is, hoewel geen psychose of waan naar haar mening niet ver van de gekte verwijderd. De vijandigheid die zulk een nabijheid van de moeder oproept wordt geërotiseerd, de seksuele identiteit moet worden opgegeven, manlijkheid wordt taboe. De illusie is: groot, sterk en machtig te zijn en tegelijkertijd de onderworpene aan moeder. De wet van de vader (Lacan) en het incest-taboe hebben gefaald.

Samengevat gaat het volgens Halberstadt-Freud bij perversie dus om een quasi-seksualiteit die als afweer dient tegen angst, met name tegen separatie-angst van moeder. Quasi-seksualiteit die een barrière vormt tegen geestelijke ineenstorting door ongereguleerde archaïsche woede en identiteitsproblemen. Het kwetsbare gender- en zelfgevoel wordt ondersteund, angst voor vrouwen wordt verborgen achter enig heteroseksueel functioneren waarbij homoseksualiteit wordt omzeild, al wordt die wellicht toch gemakkelijker manifest. Ze zegt het niet letterlijk maar homoseksualiteit wordt door haar tot perversies gerekend.

Hoe de uiteindelijke verschijningsvorm van de perversie zal zijn, hoe de erotisering of seksualisering tot stand komt, dat wordt bepaald door wat Hans Sachs in 1923 de brekingsindex van het oedipuscomplex noemde. De historische term perversie leent zich beter dan parafilie. Wanneer seksualiteit als façade wordt gebruikt dan mist men ten enen male de clou wanneer men zich beperkt tot de uiterlijke gedragingen.
Met deze theorieën gewapend hoeft de perversie niet langer het ontoegankelijke en onbehandelbare negatief van de neurose te zijn. Halberstadt-Freud pleit voor een gedurfdere psychoanalytische aanpak die wel eens meer succes zou kunnen hebben dan de over het algemeen gedragsmatige behandeling van manlijke en vrouwelijke perversies.

Perverse strategieën komen veel vaker voor dan een statistiek over perversies of parafilieën doet vermoeden en kan onthullen. Een neurose sluit een perversie in deze zin niet uit en met name bij de z.g vroege stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen zit het er vol mee. De geheimhouding maakt deel uit van de strategie. Het is niet voldoende dat een anorexia patiënte het door ons gestelde streefgewicht bereikt. Zonder doorwerking van de moeder-kind relatie, de seksuele verlangens, de stereotype opvatting van vrouwelijkheid en mannelijkheid  nemen we als therapeut slechts de geïllusioneerde triomf af en blijven ze met ons dik ontevreden. Wat niet weet deert wel degelijk.

This entry was posted in articles. Bookmark the permalink. Both comments and trackbacks are currently closed.